• Bel ons +32 9 252 32 89 of
  • EMAIL_US

PBM’s voor de bescherming van de ademhaling

Bij werken in vervuilde luchtomstandigheden of in plaatsen met weinig zuurstof moet ademhalingsbescherming worden gebruikt. Een PBM dat instaat voor de bescherming van de ademhaling, zal ofwel de omgevingslucht filteren (= afhankelijk van de omgevingslucht) ofwel zuivere lucht aanvoeren (= onafhankelijk van de omgevingslucht). De keuze voor de juiste ademhalingsbescherming wordt best overgelaten aan een specialist. Gebruikers van deze PBM’s moeten eerst de nodige opleiding krijgen om ernstige gezondheidsschade, en in sommige gevallen zelfs de dood, te voorkomen.

Keuze en gebruik

Het kiezen van de juiste ademhalingsbescherming vereist een grondige kennis van luchtkwaliteit enerzijds en van de gevaarlijke stoffen die zich in de werkomgeving bevinden anderzijds. Laat deze keuze dus over aan mensen die er iets van afweten. Welke type ademhalingsbescherming het best gebruikt wordt, hangt af van volgende parameters:

  • de aard van de gevaarlijke producten in de werkomgeving en hun gezondheidsrisico’s
  • de concentratie van de gevaarlijke stof in de omgevingslucht en de toegestane grenswaarde (welke concentratie is maximaal toegestaan?)
  • de bewegingsvrijheid die de werknemer nodig heeft
  • de gewenste autonomie in de tijd (duur en frequentie van de werkzaamheden)
  • de hoeveelheid zuurstof in de omgevingslucht

Niet alleen de keuze moet gebeuren door specialisten, ook de gebruikers van PBM’s voor de bescherming van de ademhaling moeten degelijk opgeleid worden in het correcte gebruik van hun materiaal.

Pictogram ademhalingsbescherming

Denk eraan dat er eerst andere preventiemaatregelen genomen moeten worden, zoals voorkomen dat gevaarlijke stoffen vrijkomen, minder schadelijke stoffen gebruiken en de gevaarlijke stoffen onmiddellijk afzuigen aan de bron (collectieve bescherming).

Omgevingsafhankelijke toestellen

Bij dit type toestel ademt de gebruiker de omgevingslucht via een filter naar binnen. Voorwaarde is wel dat er zich voldoende zuurstof in de omgevingslucht bevindt (minstens 17 volumeprocent). Anders zal voor een omgevingsonafhankelijk toestel gekozen moeten worden.

Ademhalingsbescherming (Lid Febelsafe)

Filters

Het type filter hangt af van de gevaarlijke stoffen die zich in de werkomgeving bevinden. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen partikelfilters, gasfilters en gecombineerde filters.

Partikelfilters (stof- en aerosolfilters)

Deze filters weerhouden vaste en vloeibare deeltjes. Let op! Vloeibare aerosoldeeltjes kunnen op de filter verdampen en zo ingeademd worden. Als deze dampen toxisch, irriterend of schadelijk zijn, moet een gecombineerde filter gebruikt worden. Partikelfilters worden in drie klassen ingedeeld, afhankelijk van hoe sterk ze de partikels weerhouden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van deze klassen.

Klasse Beschermt tegen Weerhoudingsgraad
P1 Vaste stofdeeltjes (inert en hinderlijk stof) Klein (tot 5 keer de grenswaarde)
P2 Vaste en vloeibare deeltjes (schadelijk stof) Middelmatig (tot 10 keer de grenswaarde)
P3 Vaste en vloeibare deeltjes (toxisch stof, kankerverwekkend stof, radioactief stof, sporen, bacteriën, virussen, proteolytische enzymen) Groot (tot 50 keer de grenswaarde in combinatie met halfgelaatsmasker en tot 200 keer de grenswaarde met volgelaatsmasker)

Om te vermijden dat een fijnstoffilter verstopt geraakt door grofstof, wordt er een grofstoffilter voorgeplaatst. Zo’n grofstoffilter wordt ook wel met P0 aangeduid. Bijkomend kunnen zich op een partikelfilter de aanduidingen S of SL bevinden (bv. P2SL). S filtert vaste deeltjes en nevels van waterige oplossingen, SL filtert olienevels. Partikelfilters kunnen in principe onbeperkt bewaard worden. Er moet op de filter bovendien geen maximumgebruiksduur worden vermeld. De efficiëntie van de filter wordt immers groter naargelang de filter meer verzadigd geraakt. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat partikelfilters nooit vervangen moeten worden. Als de gebruiker merkt dat de ademhalingsweerstand groter wordt, is het tijd om de filter te vervangen.

Gasfilters

Het juiste type gasfilter wordt bepaald door de grootte van de filter (klasse 1-3) en door de aard van de verontreiniging (aangeduid met een kenletter en een kenkleur). Op basis van de grootte van de gasfilter worden drie klassen bepaald:

Klasse Te gebruiken tot maximum
1 1.000 ppm
2 5.000 ppm
3 10.000 ppm

Filters van klasse 3 zijn groter en zwaarder dan filters van klassen 2 of 1. Ze beschermen immers tegen meer “ppm” of “parts per million”: het aantal deeltjes gevaarlijke stof per miljoen deeltjes lucht. Daarnaast worden gasfilters ingedeeld op basis van de stoffen die ze tegenhouden. Die indeling gebeurt met een kenletter en kenkleur. De belangrijkste worden in onderstaande tabel weergegeven.

Kenletter Kenkleur Beschermt tegen
A Bruin Organische gassen en dampen
AX Bruin Organische dampen met laag kookpunt (
B Grijs Zure gassen en dampen, zoals halogenen, halogeenwaterstofverbindingen, waterstofcyanide, waterstofsulfide, fosgeen, ...
E Geel Zwaveldioxide, waterstofchloride
K Groen Ammoniak, amines, hydrazine
CO Grijs-zwart Koolmonoxide

Daarnaast zijn er nog specifieke filters tegen bv. kwik (Hg) of stikstofoxide (NO).

Filters worden aangeduid door de kenletter gevolgd door het cijfer van de grootteklasse. Bijvoorbeeld: een gasfilter waarop “B2” staat, beschermt tegen zure gassen en dampen tot maximum 5.000 ppm.

Gasfilters bevatten een filtrerend medium dat de verontreinigende bestanddelen in de lucht bindt. Meestal is dit medium actieve kool (koolfilter; niet gebruikt in CO-filters).

Gasfilters worden door de fabrikant verzegeld en verpakt. Op de filterdoos staat een vervaldatum die geldig blijft zolang de filters verzegeld en verpakt blijven en bewaard worden onder de juiste (door de fabrikant aangegeven) omstandigheden.

Let op! Eens een filter geopend is, moet hij zo snel mogelijk verbruikt worden. Ook mag een geopende filterdoos niet in een bevuilde omgeving bewaard worden, omdat de filter dan sneller en aan beide uiteinden verzadigd wordt en dus minder efficiënt is. Men moet ook voorkomen dat het masker aan de binnenzijde bevuild raakt.

Op een bepaald moment zal de filter verzadigd zijn en moet hij vervangen worden. Daarom gaat de voorkeur uit naar gasfilters die de gebruiker van het filtermasker waarschuwen dat de filter bijna verzadigd is. Ten minste moet het doorbreken van de filter kunnen vastgesteld worden (waarnemen van de stof bijvoorbeeld), anders moet een onafhankelijk type gebruikt worden.

Gecombineerde filters

Deze filters bevatten zowel een partikelfilter als een koolfilter. Ze beschermen dus zowel tegen partikels als tegen gassen en dampen.

De aanduiding die terug te vinden is op deze filters, kan dus iets moeilijker te begrijpen zijn. Er wordt immers meer informatie gegeven, namelijk:

  • het gasfiltertype (meestal A, B, E of K)
  • de gasfilterklasse (1, 2 of 3)
  • de partikelfilterklasse (P1, P2 of P3)

De aanduiding B2-P3 betekent dus: dit is een gemengde filter van type B (bescherming tegen zure gassen en dampen) die kan gebruikt worden in omgevingen waarin tot 5.000 ppm gevaarlijke stof aanwezig is. De filter biedt bovendien de grootste bescherming tegen partikels (P3).

Maskers

De filters worden aangesloten op een masker. Ook hier bestaan verschillende mogelijkheden. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen onderhoudsvrije filters en verwisselbare filters.

Onderhoudsvrije filters

Deze zitten vaak verwerkt in een stofmasker (ook wel “snuitje” genoemd). Stofmaskers worden aangeduid met de letters FF (“filtering facepiece”), gevolgd door de toepasselijke aanduidingen voor de partikelfilterklasse. Er is dus spraken van FFP1, FFP2 en FFP3. Het laatste type houdt het meeste stof tegen.

Onderhoudsvrije filters worden integraal vervangen na gebruik.

Verwisselbare filters

Deze filters worden doorgaans gebruikt in halfgelaats- of volgelaatsmaskers.

Halfgelaatsmaskers bedekken neus, mond en kin. Volgelaatsmaskers bedekken bijkomend ogen, wangen en voorhoofd.

Ten slotte zijn er nog kwartmaskers (bedekking van neus en mond) en mondstukken. Die laatste worden tussen de tanden geklemd, terwijl de neus met een knijper wordt dichtgehouden.

Geventileerde helmen en maskers

Men maakt een onderscheid tussen volgende types:

  • geventileerde kappen en helmen (aangeduid met TH, gevolgd door het cijfer 1, 2 of 3 op grond van de behaalde beschermingsfactoren en de geschikte stof- of gasfilter)
  • geventileerde maskers (TM, gevolgd door het cijfer 1, 2 of 3 op grond van de behaalde beschermingsfactoren en de geschikte stof- of gasfilter)

Omgevingsonafhankelijke toestellen

Als de omgevingslucht niet voldoende gefilterd kan worden of als er te weinig zuurstof in de lucht zit (minder dan 17 volumeprocent), moet omgevingsonafhankelijke ademhalingsbescherming gebruikt worden. Deze toestellen gebruiken geen omgevingslucht, maar toegevoerde verse lucht.

Niet-autonome ademhalingsbescherming

Dit type beschermingsmiddelen maakt gebruik van lucht uit een andere ruimte. Het PBM is op een of andere manier verbonden met de buitenwereld om de aanvoer van lucht te garanderen. Gebruikers van deze ademhalingsbescherming hebben daardoor een beperkte bewegingsvrijheid.

Maskers met vrije luchttoevoer

Dit is een masker dat met een toevoerslang verbonden is met de buitenlucht. Om een te grote ademhalingsweerstand te vermijden, mag de lengte van slang niet meer dan 15 meter zijn. Meestal wordt aan het eind van de toevoerslang een stoffilter geplaatst om zand, insecten, ... tegen te houden.

Hoofdhulsels met persluchttoevoer

Bij dit systeem wordt verse, zuivere lucht toegevoerd via een ventilator (die buiten de verontreinigde zone is opgesteld) of via een persluchtleiding.

Een hoofdhulsel bestaat uit een kap met vizierruit, die minstens tot de schouders en soms tot het middel reikt. Door de kap wordt voortdurend een luchtstroom geblazen. Hoofdhulsels worden gebruikt bij bijvoorbeeld pistoolspuiten en zand- of metaalstralen. In andere toepassingen (kerncentrales, asbestafbraak) worden soms volledig isolerende pakken gebruikt.

Om overmatig opblazen en beschadiging van de pakken te vermijden, zijn overdrukventielen ingebouwd.

Er worden grote hoeveelheden lucht doorheen de hoofdhulsels geblazen. Dit leidt tot een hoog geluidsniveau en een sterke afkoeling. Om het lawaai af te zwakken, worden geluidsdempers ingebouwd. Om een te grote afkoeling in het hoofdhulsel te vermijden, wordt de toegevoerde lucht verwarmd.

Autonome ademhalingsbescherming

Dit type toestel werkt met persluchtflessen of zuurstofflessen. Voordeel voor de werknemer is de toegenomen bewegingsvrijheid. Daar staat tegenover dat de werktijd beperkt moet worden om zeker niet zonder zuurstof te vallen.

Onafhankelijke persluchtmaskers

Persluchttoestellen bestaan meestal uit volgende onderdelen:

  • een volgelaatsmasker
  • een drukslang
  • een ontspanner met overdrukbeveiliging
  • een longenautomaat
  • een manometer die de druk in de flessen controleert
  • een waarschuwingssysteem (fluitsignaal) voor de luchtvoorraad
  • een draagstel en draagriemen
  • één of twee persluchtflessen

Meestal wordt de druk in het masker tot iets boven de atmosferische druk gebracht (bovendruk). Dankzij deze bovendruk kan verontreinigde lucht niet binnendringen langs eventuele lekken.

Onafhankelijke persluchttoestellen wegen in gebruiksklare toestand ongeveer 15 kg. Dit komt o.a. door dat er persluchtflessen op de rug gedragen worden. Meestal worden flessen van 4 of 6 liter gebruikt, gevuld op een druk van 200 of 300 bar.

Het is duidelijk dat het gebruik van deze toestellen is voorbehouden aan fitte personen die regelmatig trainen en degelijk zijn opgeleid. Er moet dan ook de nodige medische begeleiding worden voorzien bij de selectie, de opleiding en het inzetten van persluchtgebruikers.

Het is ook duidelijk dat om veiligheidsredenen voor elk gebruik moet worden gecontroleerd of het toestel nog goed functioneert. Om diezelfde redenen mag de luchtvoorraad nooit volledig worden opgebruikt. Daarom wordt het alarmsignaal afgesteld op één vijfde van de oorspronkelijke vuldruk (40 of 60 bar). Dit geeft de mogelijkheid om zich zonder risico uit de gevaarlijke zone terug te trekken.

Toestellen met zuurstof

Zuurstoftoestellen werken met een gesloten kringloop. Dit betekent dat de uitgeademde lucht terug in het systeem terechtkomt, geregenereerd en weer ingeademd wordt.

Dit type wordt vaak gebruikt voor reddingsdoeleinden.

Vlucht- en evacuatietoestellen

Sommige toestellen moeten de werknemer helpen om zich in een noodsituatie in veiligheid te brengen. Dit soort toestellen is dan ook compact en kan maar voor een beperkte tijd worden ingezet.

Er bestaan zowel omgevingsafhankelijke als omgevingsonafhankelijke vlucht- en evacuatietoestellen.

Vluchtfilters bestaan uit een polyvalente filter en een halfmasker of een mondstuk met neusknijper. Het geheel wordt hermetisch opgeborgen in een verpakking die gemakkelijk meegedragen of weggeborgen kan worden. In geval van nood moet deze verpakking snel en eenvoudig geopend kunnen worden.

Vluchtkappen worden gebruikt in geval van evacuatie bij brand. Behalve een masker en een filter bevatten ze een volledige kap met vizierruit die beschermt tegen rook en warmte.

Normen ademhalingsbescherming.

EN 136

Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Volgelaatmaskers Deze norm bepaalt alles inzake volgelaatsmaskers, van gebruiksbeperkingen tot bewaar- en onderhoudsvoorschriften. Een volgelaatsmasker kan niet op zichzelf worden gebruikt en moet aangevuld worden met een ademhalingsbeschermingstoestel.

EN 140>

Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Halfgelaatsmaskers en kwartmaskers Deze norm bepaalt alles inzake halfgelaatsmaskers, van gebruiksbeperkingen tot bewaar- en onderhoudsvoorschriften. Een halfgelaatsmasker kan niet op zichzelf worden gebruikt en moet aangevuld worden met een ademhalingsbeschermingstoestel.

EN 141

Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Gasfilters en combinatiefilters Verschillende klassen:

  • Klasse 1 : filters met lage capaciteit
  • Klasse 2 : filters met middelmatige capaciteit
  • Klasse 3 : filters met hoge capaciteit

Verschillende Filtertypes A, B, E, en K:

  • Type A : voor gebruik tegen bepaalde organische gassen en dampen gespecificeerd door de fabrikant en waarvan het kookpunt hoger ligt dan 65°C (kleur: kastanjebruin)
  • Type B : voor gebruik tegen bepaalde anorganische gassen en dampen (kleur: grijs)
  • Type E : voor gebruik tegen zwaveldioxide en andere zure gassen en dampen (kleur: geel)
  • Type K : voor gebruik tegen ammoniak en organische derivaten van ammoniak (kleur: groen)

EN 143

Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Deeltjesfilters

  • Stofklasse 2a = hinderlijke niet-schadelijke stof met een MAC-waarde van 10 mg/m3
  • Stofklasse 2b = schadelijke stof met een MAC-waarde tussen 0,1 en 10 mg/m3
  • Stofklasse 2c = giftige stof met een MAC-waarde kleiner dan 0,1 mg/m3
  • P1 = filters met laag rendement = 0,1% vol.
  • P2 = filters met gemiddeld rendement = 0,5% vol.
  • P3 = filters met hoog rendement = 1,0% vol

Bedrijfsgegevens

Oosterzelesteenweg 125
9230 WETTEREN

BTW BE 0451.010.012

Email

Tel +32 9-252 32 89
Fax +32 9-252 33 47

Search